Bladenmaker Els Rozenbroek: ‘Het leven was geen lolletje, maar wat heb ik gelachen’

Els Rozenbroek, ook wel ‘het best bewaarde geheim van de bladenwereld’ genoemd, heeft niet lang meer te leven. Ze lijdt aan uitgezaaide darmkanker. Vanuit haar hospice kijkt ze terug op een vrijgevochten en toch kwetsbaar leven vol gecompliceerde relaties.

Cécile Koekkoek
Els Rozenbroek. Beeld Judith Jockel
Els Rozenbroek.Beeld Judith Jockel

In januari van dit jaar begint Els Rozenbroek (65) met haar collega’s Barbara van Erp en Femke Sterken, uit naam van hun tijdschrift Saar Magazine, de De Saarpodcast, voor ‘50+-vrouwen die midden in het leven staan’. Het past Rozenbroek om zich aan deze titel te binden – gedurende haar carrière in de bladenwereld heeft ze altijd voor vrouwentitels gewerkt en liet ze waar mogelijk een feministisch geluid horen. In de podcast ontpopt ze zich al snel als podcasttalent: haar meningen werken aanstekelijk, ze spreekt geaffecteerd, formuleert zorgvuldig en origineel en heeft het prettig lage stemgeluid van een roker. Ze profileert zich als de feminist aan tafel, altijd met groot gevoel voor humor en timing. Mannen moeten het vaak ontgelden, voor vrouwen in machtsrelaties neemt ze het op. Als Van Erp en Sterken zich hardop afvragen waarom Ellen ten Damme zich laat meeslepen door Ali B, luisteren ze ademloos hoe Rozenbroek schetst hoe dat werkt; dat je als vrouw zo geconditioneerd kunt zijn dat je geen nee kunt of durft te zeggen. Ook van de relatie tussen Linda de Mol, die ze goed kent, en Jeroen Rietbergen probeert ze alle kanten te belichten, op zoek naar nuance en verzachting.

Rozenbroek is het best bewaarde geheim van de bladenwereld. Haar carrière begint bij Libelle als eindredacteur. Later zal ze voor het blad veertien jaar lang wekelijks Dagboek van Juul schrijven, gebaseerd op haar eigen leven. Ze is achtereenvolgens hoofdredacteur van Kinderen, Top Santé en Vrouw Vandaag en staat samen met haar goede vriendin Rozemarijn de Witte aan de basis van het succes van het tijdschrift Linda. Ze willen afrekenen met de brave vrouwenbladen. De coverteksten, koppen en streamers die Rozenbroek voor het blad maakt zijn in bladenmakersland legendarisch.

In de beginperiode van De Saarpodcast wordt bij Rozenbroek darmkanker geconstateerd. Al maanden is ze heel moe, maar omdat ze een hekel heeft aan aanstellerij leeft en werkt ze door alsof er niks aan de hand is. Pas als ze zittend de afwasmachine inruimt, maant huisgenoot Christina, met wie ze vriendschappelijk samenwoont, haar naar de huisarts te gaan. Een aantal jaar eerder had Rozenbroek al slokdarmkanker, gevolgd door een agressief melanoom, en dus stuurt hij haar linea recta naar het ziekenhuis.

Al in de tweede aflevering van De Saarpodcast wordt een ‘kankerminuutje’ voor Rozenbroek ingelast; meer is niet nodig, want ze zou dit ‘kankertje’ ook weer overleven en bovendien wil ze niet dat haar ziekte ‘haar beroep’ wordt. Maar in de afleveringen die volgen verstomt het optimisme snel en het minuutje loopt soms uit tot een kwartier: er zijn uitzaaiingen gevonden in haar lever (‘niet één maar een heleboel’) en ze heeft nog maar een paar maanden te leven.

In de kankerminuten die volgen, vragen Van Erp en Sterken haar onverschrokken het hemd van het lijf: van hoe sterven voelt tot wat ze zal dragen in de kist (‘Ik wil niet door bekenden gewassen worden, stel je vóór!’). Er volgt immunotherapie, waarvan ze heel ziek wordt, en daarna een ‘booster’, een cocktail van medicijnen die zou moeten zorgen voor een kortstondige opleving en haar hoop biedt op een laatste vrolijke ‘terrasjeszomer’. In plaats daarvan wordt ze zieker en zieker. Bewapend met opnameapparatuur zoeken Van Erp en Sterken haar thuis op, waar ze doodop in bed ligt. ‘Ik ben aan het sterven’, zegt ze tegen haar collega’s. ‘Zo voelt dat dus.’ Ze vertelt dat ze zo moe is dat ze de paar meter van de bank naar de eettafel niet meer kan afleggen en halverwege op de grond moet gaan liggen.

Els Rozenbroek, portret gemaakt in de tuin van Hospice Veerhuis in Amsterdam.


 Beeld Judith Jockel
Els Rozenbroek, portret gemaakt in de tuin van Hospice Veerhuis in Amsterdam.Beeld Judith Jockel

En nu zit ze daar, stralend en ogenschijnlijk gezond, in de zomerse binnentuin van Hospice Veerhuis in de binnenstad van Amsterdam. Ze trilt misschien een beetje, en haar lichaam is, zoals ze zelf zegt, ‘in elkaar gezakt’, maar haar opname in Veerhuis doet haar zichtbaar goed. Er is een last van haar schouders gevallen. Ze wordt liefdevol verzorgd door vrijwilligers, haar gezellige kamer staat vol met bloemen, de zon schijnt door de openslaande deuren uitbundig naar binnen en ze hoeft nergens meer aan te denken. Ze overziet haar leven. ‘Het was geen lolletje, maar wat heb ik gelachen’, zegt ze terwijl ze een sigaret opsteekt. Na een aantal ingewikkelde relaties is ze nu single. Met haar zoon heeft ze een gecompliceerde band. In De Saarpodcast lijkt Rozenbroek beter dan haar collega’s te begrijpen hoe kwetsbaar vrouwen kunnen zijn in relatie tot mannen. Die kwetsbaarheid lijkt ook in haar eigen leven de rode draad te vormen: ze komt er niet goed uit met mannen, ze raakt beschadigd of de relaties ontglippen haar.

Als vierde kind uit een gezin van zes ervaart ze al snel dat het huishouden en de kinderen haar moeder te veel zijn. ‘Mijn moeder had gymnasium gedaan en droomde van een grootse carrière; ze zou naar Indië gaan en een leven vol avontuur leiden’, vertelt Rozenbroek. ‘In plaats daarvan trouwde ze na de oorlog een keurige man met een kantoorbaan in Hengelo en werd ze huisvrouw.’ Rozenbroek citeert uit Baedeker voor de vrouw, het naslagwerk dat huisvrouwen in het midden van de vorige eeuw geacht werden te raadplegen: ‘Doe uw schort af, schik uw haar, kijk even in de spiegel of u geen vermoeide indruk maakt. Verwelkom uw man. En vraag naar zijn werk, want in uw trivialiteiten zal hij niet geïnteresseerd zijn. Zorg dat het eten klaarstaat en breng in alle rust de kinderen naar bed.’ Ze vervolgt: ‘Zo gedroeg mijn moeder zich als mijn vader ’s avonds thuiskwam, maar overdag was ze een ontevreden huisvrouw, die tierend achter het fornuis stond.’ Haar vader wil zijn vrouw tegemoetkomen, oppert een dienstmeisje, maar haar moeder voegt zich naar de norm die de samenleving haar oplegt. ’s Avonds in bed vraagt de kleine Rozenbroek zich af waarom vrouwen elke dag boos stofzuigen, terwijl vaders fluitend thuiskomen. ‘Mijn zusjes en ik moesten helpen met bedden opmaken en wastafels boenen, mijn broers niet. ‘Die moeten huiswerk maken zodat ze later de kost kunnen verdienen’, beweerde mijn moeder doodleuk. En dan keek ik uit het raam en zag ik de jongens buiten spelen.’

Als kind verslindt Rozenbroek de tienerreeksen Joop ter Heul, Pitty naar kostschool en de ‘romans voor jonge vrouwen’ van Nel van der Zee en Leni Saris, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon altijd haar knappe man vindt. In het hospice heeft ze zichzelf opnieuw omringd met die boeken, ze liggen op stapeltjes verspreid door haar kamer.

Omdat de sfeer thuis niet zo fijn is en haar moeder veel moppert, droomt Rozenbroek van een leven op kostschool, zoals Pitty uit de boekjes dat leidt, maar ze komt terecht op een internaat bij de nonnen in Groenlo. ‘Die nonnen hadden leiding kunnen geven aan nazipelotons. Echte sadisten. Ik zat op de mavo en bakte er niets van, maar één lieve soeur dacht: Elsje is niet debiel, en zij is mij bijles gaan geven.’ Ze blijkt een uitzonderlijk goed taalgevoel te hebben.

Het huisvrouwenbestaan van haar moeder lijkt haar een gruwel. In haar vroege tienerjaren komt Rozenbroek in aanraking met Joke Smit en haar essay Het onbehagen bij de vrouw uit 1967. ‘Ik hoorde er iets over op de radio en dacht meteen: dit gaat over mijn moeder.’ Maar haar moeder fulmineert tegen het feminisme. ‘Ze vond feministen vreselijke vrouwen, maar inmiddels denk ik dat ze bloedjaloers was.’

Van studeren komt het niet. Na de havo wordt Rozenbroek afgewezen op de School voor Journalistiek, werkt een tijdje als gezinshulp, en stuurt dan, op aanraden van haar vader, een brief aan Libelle. Als ze daar, net 19, aangenomen wordt als leerling-journalist, krijgt ze al snel een verhouding met de hoofdredacteur. ‘Hij was getrouwd en had een zoontje. Maar hij versierde me en ik was totaal onder de indruk van deze machtige man. Ik ruilde Libelle op mijn 23ste in voor het Belgische tijdschrift Flair. Overigens niet omdat het moest vanwege die relatie, want iedereen had in die tijd affaires en vond dat de normaalste zaak van de wereld.’

Els Rozenbroek.

 Beeld Judith Jockel
Els Rozenbroek.Beeld Judith Jockel

Was de hoofdredacteur jouw Leni Saris-man, de prins op het witte paard?

‘Ik was diep gevleid door zijn aandacht, terwijl dat niet klopte met mijn feministische inborst. Voor mij is dat het mysterie van mijn leven, dat ik ontrafeld wil hebben voor ik doodga. Maar ik kan niet meer helemaal bij het meisje komen dat ik toen was. Hoe heb ik mij in een relatie laten manoeuvreren met een man die niet eens aardig voor me was? Telkens als ik het wilde uitmaken, haalde hij zijn versiertrucs weer tevoorschijn. En ik trapte erin. Hij wilde een kind, een broertje of zusje voor zijn zoontje van 7. Ik had nog nooit nagedacht over een kind. Binnen een maand was ik zwanger, waar ik een romantisch idee bij had. Hij verliet zijn vrouw en ik trok bij hem in, in het huis waar hij had gewoond met zijn ex. Zij kreeg een nieuwbouwhuis en richtte het in met moderne meubels van Ikea, dat net was geopend. Haar huis was zonnig en vrolijk en ik woonde in een zompige villa met cactussen voor het raam, in Schagen of all places. Toen ik vijf maanden zwanger was gingen we naar een feestje. Ik vond mijn buik zo mooi, ik was trots en zei: als deze baby geboren is gaan we meteen voor de tweede. Nee, zei hij, want na de geboorte van het kind ga ik bij je weg.’

Ze stort volledig in. ‘Er was niks aan de hand, sinds we samenwoonden hadden we het best leuk samen, ik kon met zijn zoontje opschieten, ik reed een paar keer per week naar Antwerpen om bij Flair te werken. Ik had een prima leven, ook met hem. Mensen hadden mij wel gewaarschuwd dat hij onbetrouwbaar was, dat hij vaker relaties had gehad buiten de deur. Ik had mijn boeltje moeten pakken en moeten zeggen: bekijk het maar – ik zou prima terechtgekomen zijn. Maar ik schaamde me zo dat ik hem heb gesmeekt het niemand te vertellen en of ik alsjeblieft mocht blijven als ik me goed gedroeg. Ik heb mezelf totaal verloochend. Later bleek uiteraard dat hij allang een andere relatie had, maar dat kwam niet in mijn hoofd op. Nota bene met een vriendin van mij.’

Tien weken na de geboorte van haar zoon wordt ze het huis uitgezet. Ze krijgt 10.000 gulden om haar huurwoning in Haarlem in te richten. ‘Ik vond dat een kapitaal. Ik ging ervan uit dat ik alleen voor het kind moest zorgen, ik had nog nooit van alimentatie gehoord. Ik denk dat ik het genereus vond dat hij me überhaupt geld gaf.’

En toen zat jij ook in zo’n zonnig Ikea-huis.

‘Ja, maar verder was het enige leuke mijn zoontje, echt een schatje, een lief baby’tje dat mij elke ochtend dolblij van vreugde begroette. Hij at en dronk en was volmaakt. Ondertussen was ik als eindredacteur bij Story terechtgekomen, omdat Antwerpen te ver was om te combineren met het moederschap. Bij dat blad werkten voornamelijk mannen. Er hing porno aan de muur. Vrouwen met enorme tieten en mannen met enorme pikken. Toen ik vroeg of die posters van de muur mochten, werd ik uitgelachen. Ik deed moeilijk, vonden ze. Maar ik kon geen ontslag nemen, want ik had een baby en een flat. Maandenlang heb ik gedacht: zal ik ooit nog kunnen lachen, behalve tegen mijn kind? Het erge is: ik had echt liefdesverdriet, om die man, ik hield van het gezin dat we hadden kunnen zijn. In het begin was hij gul, hij betaalde de crèche, haalde onze zoon op en kwam drie keer per week eten. Ik was altijd dankbaar.’

Je praat zo liefdevol over je baby. Een tweede kind is er nooit gekomen.

‘Een paar jaar later kreeg ik een relatie met Gerard van Westerloo (oud-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland, red.). Met hem wilde ik dolgraag een kind, maar de zoon uit zijn eerste huwelijk was net een beetje volwassen aan het worden en hij had geen zin om opnieuw te beginnen. Gerard was vrolijk en liefdevol, helemaal mijn type, een poëet, een dromer. Mijn zoon vond hem een watje. Omdat ik altijd tussen die twee mannen zat, is het uitgegaan. Ik dacht dat we later, als mijn zoon op kamers zou gaan, weer bij elkaar zouden komen, maar hij had meteen een ander.’

Je collega en vriendin Barbara van Erp en oud-hoofdredacteur Franska Stuy van Libelle vertelden dat je een vrouw bent die niet met zich laat sollen, die geen blad voor de mond neemt, maar toch lijk je je steeds te schikken naar een man.

‘Net als mijn moeder ben ik de slavin en de rebel. Later ben ik met een Fransman getrouwd. Rosalie van Breemen, de ex van Alain Delon, heeft ooit beweerd: trouw nooit met een Fransman, na het jawoord verdwijnt meteen de romantiek. Klopt. Ik werd zijn bezit en hij kon het niet verkroppen dat ik zo hard werkte en een eigen leven had. Terwijl we daarvoor een heerlijke, romantische en gezellige relatie hadden. Na vijf jaar huwelijk ben ik bij Jean-Luc weggegaan. Ik was geen 50 geworden om ongelukkig te zijn met een man.’

Vrijgevochten, maar in de liefde afhankelijk. Hoe kijk je terug op die tegenstelling tussen, zoals je zelf zegt, de rebel en de slavin?

‘Misschien komt het wel door de meisjesboeken die ik nu allemaal herlees. Daarin is de hoofdpersoon altijd een levendige, ietwat rebelse meid. Een modern meisje, met ouderwetse deugden. Joop ter Heul kust haar Leo voor het eerst nadat hij haar ten huwelijk heeft gevraagd. En welke studie de hoofdpersoon ook volgt, welk baantje ze ook heeft, het doet er niet toe, want op de laatste bladzijde eindigt ze blozend in de armen van een man. Stralend gelukkig op de plaats waar ze ondanks al haar talenten en humor thuishoort: in de keuken. Als Joop ter Heul de aardappelen verknalt krijgt ze op haar donder en vraagt berouwvol om vergiffenis, die hij haar genadig schenkt.

Het zou kunnen dat die boeken mij meer hebben gevormd dan ik ooit had kunnen bevroeden. Samen met mijn moeder die ’s ochtends zuchtend in een versleten ochtendjas havermoutpap kookte en ’s avonds de toegewijde echtgenote speelde. Ik ben geboren in de jaren vijftig, en erdoor gevormd. De periode tussen de brave, burgerlijke naoorlogse jaren en de revolutionaire jaren zestig en zeventig. Dat heeft blijkbaar ook invloed gehad op mijn liefdesleven. De Dolle Mina versus het meisje dat snakt naar een verlovingsring.’

Ook jonge vrouwen worstelen nog steeds regelmatig met hun relaties met mannen.

‘Het is 2022 en op Instagram zijn opgespoten lippen en ronde billen de norm, nog altijd is het grootste deel van de Nederlandse vrouwen financieel afhankelijk, zelfs jonge vrouwen willen in deeltijd werken. Als ik op redacties rondkijk zie ik jonge moeders heen en weer rennen tussen crèche en werk terwijl de jonge vaders extra lang doorwerken omdat ze geen zin hebben in eten met hun dreinerige peuters. Als een kind ziek is, belt de leidster of juf standaard de moeder, ze gaat er automatisch van uit dat de vader het ‘te druk’ heeft. Ik kijk om me heen en haal verbijsterd mijn schouders op. Kom op vrouwen, eis je leven op, denk ik dan. Het kan niet zo zijn dat jij verdwijnt achter een muur van luiers en zwemlessen, speelafspraakjes en weet-ik-veel terwijl zijn leven gewoon doorgaat. En dan heb ik het niet over de vaders uit Amsterdam-Zuid over wie we in die krant lezen omdat ze pronken met hun ‘papadag’, maar over gewone vaders uit Rijnsaterwoude en Tilburg.’

De hondjes van Els Rozenbroek.

 Beeld Judith Jockel
De hondjes van Els Rozenbroek.Beeld Judith Jockel

Hoe is de relatie met je zoon?

‘Hij werd al geboren als een echte macho. Als ik een popje in het ledikantje legde, duwde hij net zo lang tot het door de spijlen op de grond viel. Hij sliep liever met een autootje in zijn hand. Maar hij was een enorme knuffelaar en een moederskind, hoe gek hij ook was op papa. Toen hij 4 werd, brachten zijn vader en ik hem samen naar de kleuterschool. ’s Avonds lag er een brief van mijn ex in de bus: het was de laatste keer geweest dat hij onze zoon had gezien. Hij zou wel weer van zich laten horen als onze zoon 18 was – wat hij trouwens niet heeft gedaan, de zak. Ik heb hem gesmeekt, brieven geschreven, gebeld, zijn nieuwe vrouw heeft hem talloze keren gevraagd het contact te herstellen, mijn vader idem dito. Niets.’

Ben je er ooit achter gekomen waarom hij dit deed?

‘Het enige wat ik kan bedenken is dat hij niet wilde toegeven dat hij al die jaren tegen mij had gelogen over de affaire die hij al tijdens mijn zwangerschap was begonnen. Kort nadat hij het contact met ons had verbroken, is hij met zijn vriendin gaan samenwonen. Ze zijn nog steeds bij elkaar.’

Wat deed dit met je zoon?

‘Van een onbevangen jongetje dat zijn vader adoreerde werd hij een angstig, verdrietig en hologig kind. Hij begreep niet waarom papa niet meer kwam. En ik wist het ook niet. Hij heeft tot zijn 10de elk jaar een vaderdagcadeau gemaakt, dat ik via zijn secretaresse liet bezorgen. Nooit kreeg hij een reactie. ‘Papa vindt vast dat ik niet goed kan knutselen’, zei hij dan tegen mij.’

Ze herpakt zich. ‘Op zijn 18de verweet hij me dat ik het altijd voor zijn vader had opgenomen, dat ik nooit had gezegd dat hij een lul was. Maar van alle mensen die er verstand van hebben, had ik geleerd dat ik nooit zijn vader mocht afvallen.’ Ze begint te lachen: ‘Toen zijn mijn zoon en ik gaan bedenken hoe we hem alsnog konden treffen. We bedachten een plan: dat we een van zijn kostbare postduiven zouden ontvoeren in ruil voor losgeld. De goede man had het bestaan om al die jaren slechts 175 euro per maand aan kinderalimentatie te betalen. Die duif hebben we trouwens nooit ontvoerd, ik ben doodsbang voor vogels sinds ik Hitchcocks The Birds heb gezien.’

Dan: ‘De eerste keer dat hij werd gearresteerd was hij 16 en had hij dertien inbraken gepleegd.’ Er volgde een onderzoek van Jeugdzorg. ‘Zij konden niks anders concluderen dan dat we het goed hadden samen, dat ik hem een veilige, gezellige thuisbasis gaf. Ze hebben de vader gebeld, die zei dat hij helaas geen contact had met zijn zoon, omdat zijn moeder dat niet prettig vond. Een gotspe. Echt onvergeeflijk, zo’n leugen.’

Op tafel staat een ontroerende zwart-witfoto van de jonge Rozenbroek met haar pasgeboren zoontje. Door het korte haar is de gelijkenis met nu treffend.

Heb je nu contact met je zoon?

‘Een paar jaar geleden heb ik met hem gebroken, ik kon zijn leugens en financiële manipulaties niet meer aan. Toen hij hoorde dat ik ongeneeslijk ziek ben, heeft hij weer contact gezocht. Hij zou bij me langskomen, maar hij kwam zijn afspraak niet na; mijn berichtjes kwamen niet aan en bleven onbeantwoord. Hij bleek in Lille in de gevangenis te zitten. Gisteren hebben we gefacetimed en ik heb al vijf handgeschreven brieven van hem ontvangen.’ Met gevoel voor overdrijving: ‘En dat is een giller, want hij schrijft al sinds zijn 6de niet meer met de hand. Maar in dat kleuterhandschrift schrijft hij ontzettend goed, als ik uitgever was zou ik het meteen uitgeven, zo geestig. Het zijn lange brieven over zijn leven daar, vrolijk, over de ratten en over de man met wie hij een cel deelt.’ Ze citeert: ‘Terwijl ik dit schrijf is mijn kamergenoot lekker onze cel aan het dweilen. De kakkerlakken blijven komen, maar wij houden het schoon.’’

Raken de brieven je?

‘Ik moet erom lachen, dat zeker. Maar ik rouw om de zoon die het zo ver had kunnen schoppen – hij is ontzettend intelligent en grappig en belezen – en toch zo’n puinhoop van zijn leven heeft gemaakt.’

Voel je je verantwoordelijk voor zijn lot?

‘Ik heb me lange tijd mislukt gevoeld als moeder. En dus als mens. Ik heb maar één kind, en daarmee is het uiteindelijk niet goed gegaan. Wat zegt dat over mij? Wat heb ik allemaal fout gedaan? Inmiddels weet ik: ik was geen perfecte moeder, natuurlijk niet, maar we hadden het goed samen. We hebben geweldige vakanties gevierd, ontzettend gelachen, ik heb hem geknuffeld en liefgehad en alle kansen van de wereld gegeven.’

Houdt hij van jou?

‘Ja. Hij zou zijn leven voor mij geven. Maar het is wel de liefde van een zoon uit The Godfather voor zijn familie. Intens loyaal en tegelijkertijd meedogenloos. Hij vond het verschrikkelijk dat ik met hem brak, omdat hij van me houdt, maar ook omdat hij dan niet meer in mijn portemonnee kon kijken.’

Els Rozenbroek.

 Beeld Judith Jockel
Els Rozenbroek.Beeld Judith Jockel

Geniet je van deze weken in het hospice?

‘Plotseling dood neervallen is makkelijker, zonder gedoe over je testament, de belasting, je huis. Maar het fijne van een paar maanden hebben is dat je iedereen nog kunt zien en afscheid kunt nemen, hoewel dat ook onmenselijk zwaar is. De warmte en liefde waarmee ik nu word overspoeld is verrijkend en diep ontroerend. Toen ik hoorde dat ik dood zou gaan, wist ik al snel dat ik wilde sterven – en dit klinkt pathetisch – met een zuiver hart. Ik wil mezelf in de spiegel kunnen aankijken. Ik heb misschien op vele fronten gefaald, maar ik ben geen leugenaar. En er blijft mij een heleboel bespaard: ik word niet dement, ik hoef niet naar een verzorgingstehuis, ik word niet blind van het roken, ik krijg geen keel- en longkanker, terwijl ik dat wel verdiend zou hebben. Doodgaan is interessant. Als ik de moed en de energie had, zou ik er een boek over schrijven. Je ontdekt de raarste dingen. Bijvoorbeeld wie echt iets voor je betekent – dat zijn soms andere men